Toespraak over de bostulp

Uit Leapedia
Versie door Koksroommandarijn (Overleg | bijdragen) op 4 jul 2015 om 11:13

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

Dames en heren, geacht publiek, aanwezigen, hartelijk dank voor uw komst, wat fijn dat u hier allen in zulke grote getalen bent gekomen, ik hoop van harte dat de reis hier naartoe voorspoedig is verlopen. Mocht u onderweg wel tegenslagen hebben gekend, dan ben ik u extra erkentelijk omdat u toch heeft doorgezet ten einde hier te komen. Ik hoop dat mijn rede uw leed wat verzacht en dat u straks met een opgewekt en blij gemoed de zaal verlaat; ik hoop dat u volop geïnspireerd raakt, en dat mijn woorden als zoete tonen nog lang echoën in uw oren, ja misschien wel in uw hele lichaam, beslag leggend op uw geest – en, met uw volmondige instemming, uw hele handelen voor altijd zullen veranderen, u laten terugkijken op deze dag met een even weemoedige als enthousiaste blik: hier is iets gebeurd.

Zonder minachting wil ik u zeggen: u zult nooit precies uit kunnen leggen wat hier gebeurde. U doorzoekt naarstig het hele voor u bekende vocabulaire, probeert in hoog tempo geschikte beelden en metaforen uit, onderzoekt talloze woorden in nog talrijkere combinaties, modaliteiten; en moet concluderen: zij zijn niet toereikend.

Dit zult u niet ervaren als een tegenslag, evenmin zult u dit ervaren als een mislukking. U geeft niet op, het is sterker dan u, u zult vastberaden zijn om met deze enorme kracht samen te spannen, en u ziet: elke poging roept een nieuwe poging op.

Laten we ons naar het woud begeven, het is tien uur in de ochtend, op rustig stukje weide komt een bloem op: Een eironde bol, gezwollen en donkerbruin van kleur. De steng onverdeeld, eenbloemig, in het midden van bladeren voorzien, van onderen smaller toelopend. De bladeren zijn overhoeks, enigszins stengomvattend, lancetvormig, spits, geknield, zeegroenachtig van kleur. De bloem eindelings, welriekend, geel enigszins groenachtig van buiten, en voor de bloeitijd knikkende: de bloembladen ovaal-lancetvormig, zonder honingbakje aan de voet. De meeldraden, welke men met de stamper ziet, samengedrukt, de helmknopjes langwerpig, geel, met een geel stuifmeel vervuld. Het vruchtbeginsel driekantig; de stempel zonder stijltje op het vruchtbeginsel vastzittende, stomp, driekantig en niet verbreed. De gehele plant groeit ter hoogte van drie palmen.

De minutieuze beschrijving van de biologen ontroert me. Ze wendden het hele taalveld aan om tot een nauwgezette beschrijving te komen; het kleinste detail wordt besproken, de subtiele nuances worden niet over het hoofd gezien (merk toch op dat de schrijvers ‘groenachtig geel’ noemen, en dus niet zomaar alles geel noemen!) Naast de ontroering die ik voel bij het lezen van dit tekstje vind ik de beschrijving ook buitengewoon zinnelijk. Het zou zo het object van mijn verlangen kunnen zijn, misschien wel mijn begeerte kunnen oproepen. Ik wil het betasten, met mijn duimen langs de driekantige vormen gaan, en ze even laten rusten op de meeste spitse punten, ik wil met mijn ogen langs de meeldraden strijken, en het donkerbruin van de eironde vorm in mijn geheugen bewaren.

Ik wil mijn hele leven wijden aan het beschrijven, omschrijven, en herschrijven van dit ene moment. Van de droom om hier nog eens bij te zijn, woorden en beelden te vinden die even aanstekelijk als vrij en nauwgezet zijn. Mijn onvermogen om te reproduceren en terug te halen wat er eerder is geweest om te zetten in de vrijheid om naar hartenlust te proberen, gewetensvol gissen en falen, koesteren, vasthouden en weg zien vallen, sporen vinden zonder referentie, zoeken naar hun oorsprong, wetend dat ik er met mijn vingers nooit bij zou kunnen.